De Organisatie

Ik wil je graag vertellen over een jongen. Eduard was zijn naam. Een, hoe zal ik het zeggen, eigenaardige jongen. Toen ik hem leerde kennen was hij net twintig geworden. Hij had geen verjaardag gegeven, dat vond hij maar een domme gewoonte. “Mensen geven ook geen vermaanddag, dat ze een maand ouder zijn.” zei hij dan altijd. Maar zijn ideeën over verjaardagen waren niet eens zo heel vreemd, vergeleken met sommige andere gedachten die hij er op na hield. Zo had hij de felle overtuiging dat bepaalde mensen hem dood wilde hebben. Volgens hem waren het agenten van ‘De Organisatie’.

De Oranisatie was volgens Eduard een geheime dienst die boven alle overheden stond. Die dienst bepaalde alles volgens Eduard, zo kregen ze alle inkomsten van de belasting, bepaalden ze precies hoe steden eruit moesten gaan zien en bepaalden ze alle uitkomsten van rechtszaken. De Organisatie wilde volgens Eduard geheim blijven, anders konden ze geen absolute macht over de wereld uitoefenen. Maar Eduard was achter hun geheim gekomen en had het op internet gezet; daarom wilde De Oranisatie hem nu dood hebben.

Ze zouden hem toch niet vinden, zo was de overtuiging van Eduard. Elke keer als hij naar buiten ging, droeg hij een vermomming. Zo wisten ze niet wie hij was. Tenminste, dat dacht hij. In werkelijkheid was hij verreweg de meest opvallende verschijning op straat. Hij droeg altijd hetzelfde: een donkerbruine cowboyhoed op zijn hoofd. Een zonnebril voor zijn ogen, of het nou donker was of niet. Soms had hij een nepsnor bij zich, maar het lukte hem nooit om die goed vast te plakken. Verder droeg hij een donkerblauwe sjaal, het hele jaar door zo hoog opgetrokken dat zijn mond nog net zichtbaar was.

Zijn jas was nog de beste keuze om onopvallend te blijven. Verschillende felle kleuren, van roze tot lichtblauw en van fel oranje tot hard groen. Het was het beste te omschrijven als een slecht bij elkaar genaaide lappendeken. Hoe hij er aan kwam heeft hij me nooit verteld, zelf heeft hij het ding in ieder geval niet gemaakt. Om zijn ‘vermomming’ af te maken droeg hij ook altijd handschoenen, niet slanke leren, maar van het type waar je vingers twee keer zo groot van worden. Als schoenen droeg hij altijd netjes schoongeborstelde witte sportschoenen, maar dat hoorde niet bij de vermomming volgens hem.

Een stukje lopen met Eduard was een hele beleving. Hij begon altijd heel voorzichtig, met een tempo waarbij de gemiddelde bejaarde een hardloper leek. Alsof elke stap de laatste kon zijn, zo leek het. Maar na een tijdje werd hij wat springerig. Sterker nog, hij sprong zelfs alle kanten op. Dat deed hij de ene keer om een bewegingssensor te ontwijken, de andere keer was het een camera die op hem probeerde in te zoomen. Maar hij sprong elke keer net op tijd opzij, zodat hij buiten het beeld van de camera kwam, was zijn redenering.

Ik heb wel eens geprobeerd hem uit te leggen dat ‘De Organisatie’ niet bestond, maar als ik niet oppaste was ik plotseling de spion en mocht ik vertrekken. Ook artsen en psychiaters waren niets meer dan spionnen, het enige wat die mensen zouden doen was hem vergiftigen. En toen was hij plotseling verdwenen, hij had een brief achtergelaten waarin stond dat de hele buurt hem door begon te krijgen, hij moest wel vertrekken. Een jaar nadat ik hem voor het laatst had gezien hoorde ik via-via van het tragische ongeval. Tijdens een van zijn wandelingen was hij voor een auto gesprongen, een uitwijkmanoeuvre om voor de zoveelste keer een camera te ontwijken. Hij was opslag dood. Weer een overwinning van De Organisatie.

Ik zit gewoon te kijken

Het zonnetje schijnt lekker in m’n gezicht. Een klein zuchtje wind, precies goed. Ik leun nog eens achterover, mijn blik gaat richting de lucht. Zo blauw als een lucht maar kan zijn. Ik adem diep in, waarna een diepe zucht volgt. Het is een zucht van voldoening, een zucht die vraagt om meer van dit soort dagen. Vanochtend rond zessen opgestaan, drie kwartier later op de fiets richting werk. Lekker op tijd, zodat ik vroeg weer kon gaan. Een uur geleden was ik klaar, en ben ik weer op mijn fiets gestapt. Niet richting huis, maar richting terras.

En daar zit ik dan. Uitkijkend over het plein van de grote markt, geniet ik van mijn heerlijk koude drankje. Ondertussen volg ik de mensen die voorbij komen. Niemand die precies hetzelfde doet. De een loopt haastig van de ene naar de andere winkel, alsof hun leven er vanaf hangt. Anderen lopen zo traag, dat ik me afvraag of ze ooit nog thuis zullen komen. Ik verzin hun verhalen. Ik vraag me af waarom ze lopen zoals ze lopen, hoe ze zijn geworden zoals ze nu zijn en hoe hun leven verder zal gaan.

Ik pak mijn kladblok om hun verhalen op te schrijven. Sommige mensen lijken interessant, maar nadat ik de eerste zin op papier heb zijn ze opeens bijzonder saai geworden. De rest van hun verhaal wil ik niet weten, en ik kras de zin weer door. Voor sommige mensen lijkt alles te kloppen. Hun verhaal bestaat binnen de kortste keren uit een tiental zinnen. Ik kan nog uren over ze doorschrijven, maar de volgende interessante persoon is alweer mijn blikveld binnen gelopen. Ik probeer ze te volgen, maar ze ontvluchten mijn blik meestal al snel.

Zij is ook zeker zo’n interessant geval. Ze komt uit een van de kleine kledingwinkeltjes aan de overkant gelopen, recht op mij af. Tenminste zo lijkt het. Tegelijk weet ik dat ze alleen wat te drinken wil halen hier op het terras, om ondertussen te genieten van de zon en het uitzicht. De vier tassen met gekochte spullen zitten haar duidelijk in de weg. Het lijkt een eeuwigheid te duren, maar ze is duidelijk vastberaden om hier te komen. Uiteindelijk kwam ze dan ook aan bij het terras. “Probeer jij maar eens met die onhandige tassen te lopen!” zei ze plotseling. “Sorry?” zei ik verbaasd, en na een kleine stilte: “Ik zit gewoon een beetje rond te kijken.” Toen realiseerde ik me dat ik een grote grijns op m’n gezicht had staan.

De tuinman

Ik kan het me nog goed herinneren. Na zoveel jaar van getrek in de gigantische tuin was eindelijk besloten om toch maar een tuinman in dienst te nemen. De tuin was ook veel te groot om ’s avonds en in het weekend er maar bij te doen. Dus was afgesproken dat hij komende vrijdag zou komen. Hij zou wel even kijken wat er allemaal moest gebeuren, en hoeveel dat zou gaan kosten natuurlijk. Vrijdag, klokslag negen, stond hij dan ook klaar om de tuin te inspecteren.

Hij had een klein brilletje waar hij overheen kon kijken. Het leek alsof hij die ruimte boven de bril gebruikte als hij iets echt goed moest zien. Alsof die bril er voor was om te zorgen dat hij niet teveel op detail zou letten. Ook had hij een klein notitieblokje bij zich en een luxe pen om notities erop te maken. Na de gebruikelijke introducties was het tijd om de tuin dan maar in te duiken. Hij had natuurlijk al wat tijd gehad om de tuin te inspecteren terwijl hij wachtte bij de deur. Hij liep dan ook zonder aarzelen richting het eerste plekje in de tuin waar blijkbaar iets mis was. Het bankje stond er inderdaad aan de groene kant bij. Het knusse hoekje in de tuin was dit. Boven de bank was een klein ijzeren prieeltje gemaakt in het wit, de grond lag onder het grint. Er tegenaan waren rozen geplant, maar daar was niet veel moois van te zien. Om het geheel was een halfrond muurtje gebouwd. Het was nog geen tien jaar oud, maar het zag eruit als honderd, vooral de verwilderde klimopplanten hielpen daar erg mee.

Met de grootste voorzichtigheid betrad de tuinman het prieeltje en keek hij naar boven. Het ijzerwerk was volledig weggerot vertelde hij me.  Vervolgens richtte hij z’n blik op de rozenplanten. De armzalige plantjes waren nog geen dertig centimeter hoog. De tuinman bukte om de plantjes beter te bekijken, ook bekijk hij de grond. Na een paar seconden stond hij weer op en noteerde hij met een bezorgde blik wat op zijn notitieblokje. We gingen door naar het gras waar we zonet overheen waren gelopen. Hij merkte op dat de grote ijken en beuken achter het huis zorgden dat het gras niet genoeg zonlicht kreeg waardoor mos veel sneller groeide. Ik probeerde duidelijk te maken dat ik dat al wist, maar waarschijnlijk kwam mijn bericht niet duidelijk over, want zijn uitleg over het fenomeen mos stopte niet bij die enkele opmerking. Hij vertelde met veel detail van alles over mos. Vooral over hoe verschrikkelijk het was voor het gazon. Blijkbaar gaf hij veel om de stukjes gras.

Zo ging het nog even door. Niet alleen de rozen en ’t mos waren een drama. Maar zo ongeveer elk steentje in het grint en elk stukje onkruid werden behandeld. Stuk voor stuk gingen we elke plant langs om te kijken wat er aan moest gebeuren. Ik probeerde weg te komen door te zeggen dat ik even moest controleren of het in huis allemaal nog goed ging. Maar zijn opmerking dat hij dan wel even zou wachten gaf me weinig hoop dat ik het proces kon versnellen. Na bijna anderhalf uur in de tuin rond hebben gelopen had hij blijkbaar genoeg informatie verzameld. Ik was benieuwd hoeveel hij over mijn leefstijl kon zeggen. Hij had zo gedetailleerd gekeken dat hij waarschijnlijk nog kon zeggen welk stukje tuin ik altijd bekeek als ik de deur uit kwam lopen. We gingen aan de keukentafel zitten. Ik verwachte enkele commerciële termen en middeltjes die perse nodig waren om het mos weg te krijgen. Ik verwachte een plan van vele duizenden euro’s om de tuin volledig opnieuw aan te leggen.

In plaats daarvan vertelde de man over de tuin alsof die in oorlog was met onkruid. Hij vertelde over het gras dat de strijd aan het verliezen was met ’t mos. Over de groene aanslag die als een soort oorlogsspoor achterbleef. Op dat moment had ik echter wel ’t idee dat ik begreep wat hij bedoelde. Hij wilde een staakt-het-vuren afkondigen en beginnen met het opruimen van de achtergebleven chaos. Hij verzekerde me dat volgend jaar de bloemen weer zouden bloeien en dat de kleuren weer terug kwamen in de tuin. Ik vertrouwde hem zonder aarzelen de tuin toe.

Mira

Meestal waren we met ons zessen, soms kwam er eens eentje bij, maar ’t bleef meestal wel bij zes. En elke keer zat ik maar weer te kijken. Ondertussen deed ik net alsof we vrienden waren. Kun je ’t voorstellen? Mira is haar naam. Oh, wat was het een kwelling af en toe. Voor mij was het veel meer. Ik wilde geen vrienden zijn, nee! Ik was smoorverliefd jonge, moest je eens weten.

Wat wil je trouwens te drinken hebben? Ik heb van alles in de koelkast staan. Ja, zeg maar, ik heb het vast. En anders is er ook wel water uit de kraan. Een biertje dan maar? Doe trouwens alsof je thuis bent, dat deed ik ook bij jou. Maar zou je wel even die twee potten naast de deur heel kunnen laten? Die zijn voor de verjaardag van mijn moeder, en ik kom liever niet met een stel scherven aan. Een momentje hoor, ik ben er zo weer…

Alsjeblieft! Waar was ik gebleven? Oh ja, Mira, ja! Ze was een paar maanden daarvoor met Olaf mee. Hij had haar mee weten te sleuren naar ons vaste plekje. Je kent Olaf wel, die van dat bandje. Dat had ik toch wel verteld, of niet? Hm, nou, dan vertel ik het nu toch gewoon. Olaf die heeft namelijk een bandje. Zo’n jaartje of zes geleden is ie daar mee begonnen. Hij bedoelde het toen vooral als hobby voor in de vrije uurtjes, maar het regionale radiostation heeft ze eigenlijk meer uitgeroepen tot regionale topband. Ze zijn hier in de regio toch behoorlijk populair heb ik het idee. Het leuke is nog wel, dat een maand of wat geleden opeens iemand uit Japan opbelde. Hij had ze blijkbaar op internet gezien en vond het wel goed klinken. Nu zou het zomaar kunnen dat ze binnenkort een CD mogen gaan opnemen in de studio. Leuk toch?

Maar in ieder geval, Olaf die bracht Mira dus een tijd geleden mee. Hoe meer mensen hoe leuker vond iedereen. Ik vond haar toen wel leuk eruit zien, maar als ik omkeek zag ik ook zoveel leuke meiden, dus meer dan dat was het niet voor mij. Misschien in de toekomst een aardige vriendin, maar meer niet. Maar had ik dat toch eens mis. De paar keer daarna kwam ze weer met Olaf mee, ze vond het blijkbaar leuk. Na een paar keer kwam ze gewoon zelf en hoorde ze eigenlijk al bij het vaste groepje. Ik zat meestal  zo ongeveer tegenover haar, ik denk gewoon toeval. Ik maakte grappen, zij maakte grappen, maar we praten nooit echt ergens over. Eigenlijk wist ik helemaal niet wie ze nou eigenlijk was. En toen begon het te groeien, het verlangen.

Ik zet even de verwarming aan hoor, het is hier wat koudjes. Is je biertje koud genoeg? Ik zal zo even dat drankje voor je pakken waar ik je laatst over vertelde. Of heb je ‘m ondertussen stiekem zelf geprobeerd?  Maar om mijn verhaaltje af te maken. Ik begon langzaam steeds meer vlinders in m’n buik te krijgen. Langzaam probeerde ik haar aandacht te zoeken. Maar ik denk niet dat ze iets doorhad. Wat een sukkel voelde ik mezelf laatst toen ik daar over nadacht. Ik ben benieuwd of iemand anders zag hoe graag ik haar aandacht wilde. Ik zag het allemaal al helemaal voor me. Hoe we samen op de bank zouden zitten, hoe we langzaam dicht tegen elkaar aan zouden kruipen. Ik zag het echt zo voor me, alsof het een film was. Ik moest en zou haar aandacht hebben. En die vrijdag zou ik het dus helemaal gaan doen. Ik wist niet hoe, maar het zou me gaan lukken.

Maar toen was daar dat moment. Alsof ik in een zwart gat werd gezogen. Alles om me heen verdween toen ik die twee zag kussen, Olaf en Mira. Het was niet zomaar een kus, je kon het aan hun ogen zien,  aan hun hele gezicht zelfs. Ze waren smoor op elkaar. De vlammen kwamen zowat uit hun ogen bij wijze van spreken. Olaf had mijn meisje ingepikt. Dat was waar ik aan dacht. De rest weet je eigenlijk zelf al. Ik kon het even niet aan en ik liep dus naar de bar toe om iets zwaars achterover te gooien. Olaf had me blijkbaar door. Ik wist dat ik ook zelf schuld had, ik was te laat geweest. Maar toch. Je weet zelf wat we toen allemaal tegen elkaar hebben staan schelden. Tot jij er natuurlijk tussenkwam met je “een vriendschap verliezen om een meisje is het niet waard”. Ik denk dat we allebei begrepen dat je gelijk had. “Vrienden?” vroeg ik toen. “Vrienden!” was zijn antwoord. Dat noem ik goede vrienden. Mira? Tja, ze is nog steeds hartstikke aardig hoor, maar niet meer dan dat.

Jij

De hele dag zou ik je willen horen. De hele dag zou ik naar je luisteren. Ik zou luisteren naar alles wat je me te vertellen hebt. Zelfs je leugens zou ik aanhoren, en ik zou het prima vinden. Al gebruik je alleen de verkeerde woorden, ik zou het niet erg vinden. Ik zou alles horen wat je zegt, of het nu betekenis heeft of niet. Je mooiste toespraak en je domste opmerking, voor mij zouden ze gelijk zijn. Maar ik kan het niet.

De hele dag zou ik je willen bekijken. Ik zou naar je blijven kijken, ook al was zelfs het licht van de sterren verdwenen. Ik zou mijn ogen niet van je af kunnen krijgen, ook al stond het felste licht achter je te schijnen. Ik zou mijn ogen niet van je af kunnen krijgen. Maar het lukt me niet.

Ik probeer je iets te vertellen. Ik probeer je iets duidelijk te maken, maar alleen als jij wil dat ik praat. We kunnen het over de simpelste dingen hebben, dan zouden we allebei om elkaars opmerkingen lachen. We zouden zware gesprekken kunnen voeren, en het zou ons goed af gaan. Maar ik wil niet beginnen.

Als er iets moest gebeuren, dan zouden we het samen kunnen oplossen. Samen zouden we elk probleem uit de weg ruimen. Als het jou niet lukt, dan weet ik de oplossing. Als ik er niet uit kom, dan help jij me. We zouden elkaar perfect aanvullen en een geweldig team zijn. Niemand zou ons verslaan, want wij zouden het beste team van de wereld zijn. Maar dat gebeurd toch niet.

Kan jij het wel? Lukt het jou? Wil jij niet beginnen? Zou het toch niet kunnen gebeuren? Zorg jij er maar voor. Als jij begint, dan maak ik het af. Waarom begin je niet gewoon? Ik zit hier voor je, we kunnen zo bezig gaan. Kom hier maar naartoe, dan kunnen we starten. Dan rijden we nu weg. Ons team is al uit elkaar aan het vallen voor we zijn begonnen. Jij wil al niet luisteren als ik nog niets heb gezegd. Ik mag je niet eens bekijken. Ik wil naar je luisteren, maar jij zegt niets. Zo gaat het niets worden.

Begin je nu al vervelend te worden voor we elkaar hebben ontmoet? Negeer je me al terwijl ik niet eens om je aandacht vraag? Als het zo begint dan wil ik geen eens naar je luisteren. Dan wil ik je al helemaal niet zien. Laat staan dat ik je iets zou vertellen. En als je een team wil vormen, dan zoek je maar iemand anders.

Ik vind je vreselijk irritant! Sommige mensen zijn gewoon van zichzelf zo irritant. Je hoeft maar te kijken en je weet het al, die persoon ga ik niet aardig vinden. Jij bent er eentje van dat soort! Gelukkig blijf je ver van me weg, want als je dichterbij zou komen was ik snel weg gegaan. Als ik naar jou had moeten luisteren, dan had dat pijn aan m’n oren gedaan. Je mond is een dom gat waar willekeurig geluiden uit komen, maar iets zinnigs had je toch niet te melden.

Ik moet er helemaal niet aan denken om naar je te kijken. Je ziet er gewoon irritant uit. Als ik naar je kijk krijg ik een zure smaak in mijn mond. En alles wat uit mijn zure mond komt, dat wil je helemaal niet horen. Eigenlijk verdien je het om te luisteren naar wat ik wil zeggen.

Ik ben blij dat ik niets met je samen hoef te doen, ik heb bijna medelijden met je collega’s. Wij zouden waarschijnlijk nooit zonder kleerscheuren uit elkaar kunnen gaan. Nee, ik drink lekker mijn biertje op, ga jij ondertussen maar lekker naar het toilet. Dan kan ik snel ontsnappen. Misschien zijn er morgen leukere mensen aan de bar.

Het gras is altijd groener bij de buren

Ik kijk naar buiten, en daar zie ik het, het ding wat ik altijd al zag, maar waar ik nooit wat mee deed. Alhoewel nooit… de afgelopen week dan. Maar nu gaat daar verandering in komen. Vandaag is de dag dat ik er wat mee ga doen, vandaag is de dag dat ik mezelf zo ver zal zetten. Het zal een hele verandering zijn, maar ik geloof in mezelf. Ik denk dat ik er klaar voor ben. Het is tijd voor de dag, zo’n dag waarvan je er maar eentje hebt in je hele leven. Tenminste bij dat ene ding dan. Vandaag is de dag. De dag dat ik het gras ga maaien.

Het is prachtig weer buiten. Het zonnetje staat in een lage stand klaar om onder te gaan. De temperatuur is precies goed, niet te warm en zeker niet te koud. Vandaag is de dag dat het gras weer op de perfecte lengte afgesneden gaat worden door de messen van mijn handmatig aangedreven grasmaaier. Dat betekend dus naar voren drukken, naar achteren trekken, bochtje maken, net langs de planten op en dan weer terug omdat er nog een plukje staat. Het gaat een heel gedoe worden, maar het gaat me lukken. Ik weet het zeker.

Vol goede moed stap ik naar buiten in T-shirt. Tot mijn verbazing is de zon ondertussen verdwenen achter een donkere wolk. Maar die tegenslag gaat me niet tegenhouden. Het is dan wel wat frisser geworden, maar mijn zomerjasje zal me bescherming bieden. Nadat ik mijn jas heb aangedaan en weer opnieuw buiten sta, merk ik dat het toch wel wat donkerder begint te worden. Maar dat maakt me niet uit, ik ga gewoon door, want dit is de dag waarop het gaat gebeuren.

Ik trek mn jas nog maar wat verder dicht, het begint namelijk lichtjes te waaien. Ik loop richting het kleine schuurtje, achterin de tuin, waar de grasmaaier voor staat. Na een paar seconden (mijn tuin is niet zo groot) kom ik bij het apparaat aan. Ik pak de stang vast om hem weg te slepen. Plots trekt de wind toch wel erg sterk aan. Maar een beetje wind zal me deze keer echt niet tegen gaan houden, ik zal doorgaan! Ik zet de grasmaaier op de hoek van het veldje neer, waarna ik hem gecontroleerd naar voren duw en weer naar achteren trek. Het lijkt erop alsof hij niet heel erg veel heeft gedaan. Ik buk me om te kijken of er misschien iets niet goed afgesteld staat. En jawel hoor, hij staat veel te hoog ingesteld, zo gaat er natuurlijk niets van dat maaien terecht komen. Ik zoek de stelknop en begin te draaien. Langzaam maar zakken de messen van het apparaat naar de grond.

Na een goeie minuut ben ik dan eindelijk zover! Ik sta weer op om weer verder te gaan. “Nee! Niet nu!”, denk ik bij mezelf als de eerste regendruppel op mijn jas valt. Mijn gedachten zijn blijkbaar goed af te lezen, want nog geen seconde later komen de volgende druppels al aanzetten. Na die eerste paar stopt het niet. Het begint steeds harder en harder te regenen. Voor ik het wist zat ik midden in een stortbui. Snel trek ik mijn grasmaaier van het veldje, en zet hem onder het afdakje bij mijn schuur. “Ach,” denk ik bij mezelf, “morgen is er nog een dag.”

Harry de pizzaverzamelaar

Harry was iemand met maar weinig interesse in wat dan ook. Hij was in zijn leven eigenlijk maar met één ding bezig: het verzamelen van pizza’s. Nee, niet de dozen die om de pizza’s heen zitten als je ze laat bezorgen. Nee, niet de warmhoudtassen waarin ze bezorgd worden. En nee, hij had geen enorme gekoelde ruimte in z’n appartement op de begane grond. Nee hij had daarvoor zijn woonkamer. Harry woonde tot zijn dertigste bij z’n ouders. Tijdens die eerste dertig jaar van zijn leven had hij eigenlijk nog geen duidelijk doel voor ogen, zijn pizzaverzameling bestond nog niet. In die tijd was hij eigenlijk vooral een nietsnut. Hij had werk bij een fabriek, maar hij was traag en wilde altijd als eerste weg.

Maar na dood van zijn moeder moest Harry wel uit huis gaan. Zijn vader had geen zin om nog langer in een huis waar een heel gezin in paste te wonen. Dat was het moment waarop Harry in een klein appartement kwam wonen. Hij had een klein driekamerappartement op de begane grond. De eerste paar maanden hield hij het nog vol om ‘s ochtends uit bed te komen en ging hij nog naar zijn werk. Maar het avondeten begon steeds meer van hetzelfde te worden. Pizza. In het begin haalde hij ze nog bij de supermarkt op de hoek, zoveel geld verdiende hij niet. Maar al snel veranderde dat. Zijn vader stierf namelijk een half jaar na zijn moeder, waarmee hij opeens een flink fortuin tot z’n beschikking had. Maar verhuizen deed hij niet. Hij bleef in zijn kleine appartementje zitten. Wat hij wel deed was zijn baan opzeggen. Wat hij ook deed was een goede telefoon kopen zodat hij zijn bestellingen goed kon doorgeven. De supermarkt zei hij vaarwel. De pizzabezorger had een nieuwe klant. Vanaf dat moment bestelde Harry alleen nog maar pizza. Hij bleef steeds langer in bed liggen. Sommige dagen lag hij bijna twintig uur in bed. Als hij eindelijk uit bed was gekomen pakte hij z’n telefoon en belde hij snel zijn bestelling voor vandaag door. Ondertussen natuurlijk op rekening, een service voor vaste klanten.

Terwijl Harry wachtte op de pizza ging hij meestal nog eventjes een dutje doen, waarna hij wakker werd gemaakt door de deurbel. Met elke dag meer moeite liep hij richting de deur, zijn omvang was immers al redelijk fors geworden. Hij bestelde altijd twee pizza’s. De eerste ging altijd volledig op, maar de tweede kwam maar tot de helft. In het begin bracht hij die halve pizza’s nog netjes naar de vuilnisbak, maar hij had al snel door dat dat ook een mooie verzameling kon vormen. Naast zijn favoriete zitstoel groeide dan ook al snel een stapel pizzadozen met daarin halve pizza’s.

Het leven van Harry bestond op het laatste uit slapen en pizza eten. Zijn buren hadden hem nog nooit gezien, de post had hij al zeker een paar maanden niet meer bekeken. Harry was iemand die stierf in het harnas. De pizzeria had al twee weken geen bestelling meer van hem gehad, en voor een klant die al tien jaar elke dag pizza bestelde was dat opvallend. Op zijn veertigste werd hij dood gevonden door de politie, die op aanraden van de pizzeria even een kijkje ging nemen. Er lag een open pizzadoos op zijn ronde buik. De officiele doodsoorzaak: dood door pizza.

Een man

Ergens achter het dorp, een flink stuk er vandaan, midden in het bos, dat is waar hij woont. Z’n hele leven heeft hij daar al gezeten. Het is zo’n plekje waarvan je al verwacht dat er maar 1 simpel zandweggetje naartoe is omdat het zo midden in dat bos zit. Elke donderdag, en geen enkele andere dag, kwam hij met een grote blauwe tas in z’n bakfiets naar het dorp, om de boodschappen te doen. In de supermarkt liep hij elke keer hetzelfde rondje, gewoon hetzelfde als vorige week. Dat deed hij elke donderdag, elke donderdag, nog nooit was hij er niet geweest op donderdag. Een ding viel echter wel op, want ondanks de oude afgerafelde kleding die hij altijd droeg, en ondanks de oude verroeste bakfiets, ondanks dat alles was hij elke keer toch glad geschoren. Nooit, maar dan ook echt nooit, was er ook maar een haartje te vinden van een gemist stukje. Een stoppelbaard was bij hem waarschijnlijk al helemaal uit den boze. Iedereen vroeg zich altijd af waarom zo’n relatief jonge kerel toch in van die afgerafelde kleren rondreed op zijn fiets, elke keer 10 km heen en 10 km terug, dat alleen voor de boodschappen. Maar men kon toch ook niet weten wat die man toch allemaal deed. Niemand wist namelijk dat die blokhut die daar vele jaren geleden in dat bos stond al lang niet meer te vinden was. Nee die blokhut was vervangen door een moderne luxe villa met alles erop en eraan wat een mens maar wensen kan. Ook was er aan de andere kant van de villa, in precies de tegengestelde richting, een geasfalteerde toegangsweg. Die weg kwam vrijwel direct uit bij de grote stad. Dat is ook waar zijn vrouw en kinderen altijd heen gingen. Maar ook hij zelf gebruikte die weg elke werkdag wanneer hij naar z’n werk als adviseur ging in zijn diepzwarte zakenauto. Behalve dan op donderdag, want donderdag was zijn vrije dag. Donderdag moest hij boodschappen doen.

Een draad

Ik zie een draad. De draad beweegd. Hij, een draad is overduidelijk mannelijk, blijft maar bewegen. Stoppen kan niet, de draad geeft geen keus. Naar links en dan naar rechts, om vervolgens weer naar links te gaan. Naar voor of naar achter kan niet, daar zitten klemmen die de draad stevig vasthouden. Gelukkig maar want anders zou hij zich continu zorgen moeten maken dat hij de grond niet zou raken, of dat hij ergens omheen gewikkeld zou raken. Nee, deze draad heeft in ieder geval lekker veel houvast. Maar toch kan de draad bewegen, het schommelen vergaat hem nog steeds lekker, nog steeds gaat het van de ene naar de andere kant, gedragen op de wind. Wat een luie draad eigenlijk, hij hoeft zelfs niet zelf te bewegen. Alles wordt voor de draad geregeld. Die draad heeft maar mooi geluk. Ik heb veel ergere draden gezien, die een stuk minder houvast hadden, met het kleinste beetje wind vliegt zo’n draad overal tegenaan. Maar deze draad heeft gewoon geluk. Hij is vast heel erg gelukkig met z’n situatie! Veel houvast en al net zoveel bewegingsvrijheid. Dat zou ik zelf eigenlijk ook wel willen. Die draad en ik zouden vast goede vrienden kunnen worden. Jammer dat ik niet aan de andere kant van de rails kan komen om eens te vragen hoe het met hem gaat.

Blaadje aan een boom

“Hallo blaadje!” zeg ik in een opgewekte bui. “krttsssststsss” antwoord het blaadje. Hij lijkt ook enthousiast te zijn. Laat ik dit gesprek maar eens verder brengen, volgens mij kan het nog wel eens leuk worden. “En hoe gaat het er vandaag mee?” – “ttssssstkrtttsss” – “Ahh mooi, met mij ook!” Het blaadje is overduidelijk blij met zijn plekje. In ieder geval altijd genoeg familie om je heen waar altijd wel plezier mee gemaakt kan worden, het is in ieder geval een drukte daar boven in die boom: “tsssstttssss” – “krgsssssstttsss” – “tsssstssstsss” En na die opmerking werd het stil. Overduidelijk een verkeerde opmerking. Vooral de wind werd er helemaal stil van. Echt ongelooflijk dat je zoiets durft te zeggen. Sommige bladeren hebben in ieder geval geen blad voor hun mond. Ik richt me weer tot het blaadje waar ik mijn gesprek mee begonnen was: “Ik vroeg me zo af, hoe stevig sta je nou eigenlijk in je schoenen als blad zo rond deze tijd van het jaar?” Geen antwoord. Ik kuch een keer om te kijken of er een reactie los te brengen is. Nog steeds geen antwoord. “Blijkbaar niet zo stevig of wel?” maak ik als zogenaamd grappige opmerking. Daar had ik waarschijnlijk een verkeerde snaar te pakken, plots begon de hele familie flink te schreeuwen. Vooral het blad waar ik mijn gesprek mee begonnen was ging flink tekeer: “TSSSSTTTTSSSSSSTSSSKKk…” Het was weer stil. “Als je niet wil praten moet je het zelf weten hoor.” Onder mijn schoenen hoor ik nog de laatste woorden: “KRGKRRRGH”.