Harry de pizzaverzamelaar

Harry was iemand met maar weinig interesse in wat dan ook. Hij was in zijn leven eigenlijk maar met één ding bezig: het verzamelen van pizza’s. Nee, niet de dozen die om de pizza’s heen zitten als je ze laat bezorgen. Nee, niet de warmhoudtassen waarin ze bezorgd worden. En nee, hij had geen enorme gekoelde ruimte in z’n appartement op de begane grond. Nee hij had daarvoor zijn woonkamer. Harry woonde tot zijn dertigste bij z’n ouders. Tijdens die eerste dertig jaar van zijn leven had hij eigenlijk nog geen duidelijk doel voor ogen, zijn pizzaverzameling bestond nog niet. In die tijd was hij eigenlijk vooral een nietsnut. Hij had werk bij een fabriek, maar hij was traag en wilde altijd als eerste weg.

Maar na dood van zijn moeder moest Harry wel uit huis gaan. Zijn vader had geen zin om nog langer in een huis waar een heel gezin in paste te wonen. Dat was het moment waarop Harry in een klein appartement kwam wonen. Hij had een klein driekamerappartement op de begane grond. De eerste paar maanden hield hij het nog vol om ‘s ochtends uit bed te komen en ging hij nog naar zijn werk. Maar het avondeten begon steeds meer van hetzelfde te worden. Pizza. In het begin haalde hij ze nog bij de supermarkt op de hoek, zoveel geld verdiende hij niet. Maar al snel veranderde dat. Zijn vader stierf namelijk een half jaar na zijn moeder, waarmee hij opeens een flink fortuin tot z’n beschikking had. Maar verhuizen deed hij niet. Hij bleef in zijn kleine appartementje zitten. Wat hij wel deed was zijn baan opzeggen. Wat hij ook deed was een goede telefoon kopen zodat hij zijn bestellingen goed kon doorgeven. De supermarkt zei hij vaarwel. De pizzabezorger had een nieuwe klant. Vanaf dat moment bestelde Harry alleen nog maar pizza. Hij bleef steeds langer in bed liggen. Sommige dagen lag hij bijna twintig uur in bed. Als hij eindelijk uit bed was gekomen pakte hij z’n telefoon en belde hij snel zijn bestelling voor vandaag door. Ondertussen natuurlijk op rekening, een service voor vaste klanten.

Terwijl Harry wachtte op de pizza ging hij meestal nog eventjes een dutje doen, waarna hij wakker werd gemaakt door de deurbel. Met elke dag meer moeite liep hij richting de deur, zijn omvang was immers al redelijk fors geworden. Hij bestelde altijd twee pizza’s. De eerste ging altijd volledig op, maar de tweede kwam maar tot de helft. In het begin bracht hij die halve pizza’s nog netjes naar de vuilnisbak, maar hij had al snel door dat dat ook een mooie verzameling kon vormen. Naast zijn favoriete zitstoel groeide dan ook al snel een stapel pizzadozen met daarin halve pizza’s.

Het leven van Harry bestond op het laatste uit slapen en pizza eten. Zijn buren hadden hem nog nooit gezien, de post had hij al zeker een paar maanden niet meer bekeken. Harry was iemand die stierf in het harnas. De pizzeria had al twee weken geen bestelling meer van hem gehad, en voor een klant die al tien jaar elke dag pizza bestelde was dat opvallend. Op zijn veertigste werd hij dood gevonden door de politie, die op aanraden van de pizzeria even een kijkje ging nemen. Er lag een open pizzadoos op zijn ronde buik. De officiele doodsoorzaak: dood door pizza.

Een man

Ergens achter het dorp, een flink stuk er vandaan, midden in het bos, dat is waar hij woont. Z’n hele leven heeft hij daar al gezeten. Het is zo’n plekje waarvan je al verwacht dat er maar 1 simpel zandweggetje naartoe is omdat het zo midden in dat bos zit. Elke donderdag, en geen enkele andere dag, kwam hij met een grote blauwe tas in z’n bakfiets naar het dorp, om de boodschappen te doen. In de supermarkt liep hij elke keer hetzelfde rondje, gewoon hetzelfde als vorige week. Dat deed hij elke donderdag, elke donderdag, nog nooit was hij er niet geweest op donderdag. Een ding viel echter wel op, want ondanks de oude afgerafelde kleding die hij altijd droeg, en ondanks de oude verroeste bakfiets, ondanks dat alles was hij elke keer toch glad geschoren. Nooit, maar dan ook echt nooit, was er ook maar een haartje te vinden van een gemist stukje. Een stoppelbaard was bij hem waarschijnlijk al helemaal uit den boze. Iedereen vroeg zich altijd af waarom zo’n relatief jonge kerel toch in van die afgerafelde kleren rondreed op zijn fiets, elke keer 10 km heen en 10 km terug, dat alleen voor de boodschappen. Maar men kon toch ook niet weten wat die man toch allemaal deed. Niemand wist namelijk dat die blokhut die daar vele jaren geleden in dat bos stond al lang niet meer te vinden was. Nee die blokhut was vervangen door een moderne luxe villa met alles erop en eraan wat een mens maar wensen kan. Ook was er aan de andere kant van de villa, in precies de tegengestelde richting, een geasfalteerde toegangsweg. Die weg kwam vrijwel direct uit bij de grote stad. Dat is ook waar zijn vrouw en kinderen altijd heen gingen. Maar ook hij zelf gebruikte die weg elke werkdag wanneer hij naar z’n werk als adviseur ging in zijn diepzwarte zakenauto. Behalve dan op donderdag, want donderdag was zijn vrije dag. Donderdag moest hij boodschappen doen.