De Organisatie

Ik wil je graag vertellen over een jongen. Eduard was zijn naam. Een, hoe zal ik het zeggen, eigenaardige jongen. Toen ik hem leerde kennen was hij net twintig geworden. Hij had geen verjaardag gegeven, dat vond hij maar een domme gewoonte. “Mensen geven ook geen vermaanddag, dat ze een maand ouder zijn.” zei hij dan altijd. Maar zijn ideeën over verjaardagen waren niet eens zo heel vreemd, vergeleken met sommige andere gedachten die hij er op na hield. Zo had hij de felle overtuiging dat bepaalde mensen hem dood wilde hebben. Volgens hem waren het agenten van ‘De Organisatie’.

De Oranisatie was volgens Eduard een geheime dienst die boven alle overheden stond. Die dienst bepaalde alles volgens Eduard, zo kregen ze alle inkomsten van de belasting, bepaalden ze precies hoe steden eruit moesten gaan zien en bepaalden ze alle uitkomsten van rechtszaken. De Organisatie wilde volgens Eduard geheim blijven, anders konden ze geen absolute macht over de wereld uitoefenen. Maar Eduard was achter hun geheim gekomen en had het op internet gezet; daarom wilde De Oranisatie hem nu dood hebben.

Ze zouden hem toch niet vinden, zo was de overtuiging van Eduard. Elke keer als hij naar buiten ging, droeg hij een vermomming. Zo wisten ze niet wie hij was. Tenminste, dat dacht hij. In werkelijkheid was hij verreweg de meest opvallende verschijning op straat. Hij droeg altijd hetzelfde: een donkerbruine cowboyhoed op zijn hoofd. Een zonnebril voor zijn ogen, of het nou donker was of niet. Soms had hij een nepsnor bij zich, maar het lukte hem nooit om die goed vast te plakken. Verder droeg hij een donkerblauwe sjaal, het hele jaar door zo hoog opgetrokken dat zijn mond nog net zichtbaar was.

Zijn jas was nog de beste keuze om onopvallend te blijven. Verschillende felle kleuren, van roze tot lichtblauw en van fel oranje tot hard groen. Het was het beste te omschrijven als een slecht bij elkaar genaaide lappendeken. Hoe hij er aan kwam heeft hij me nooit verteld, zelf heeft hij het ding in ieder geval niet gemaakt. Om zijn ‘vermomming’ af te maken droeg hij ook altijd handschoenen, niet slanke leren, maar van het type waar je vingers twee keer zo groot van worden. Als schoenen droeg hij altijd netjes schoongeborstelde witte sportschoenen, maar dat hoorde niet bij de vermomming volgens hem.

Een stukje lopen met Eduard was een hele beleving. Hij begon altijd heel voorzichtig, met een tempo waarbij de gemiddelde bejaarde een hardloper leek. Alsof elke stap de laatste kon zijn, zo leek het. Maar na een tijdje werd hij wat springerig. Sterker nog, hij sprong zelfs alle kanten op. Dat deed hij de ene keer om een bewegingssensor te ontwijken, de andere keer was het een camera die op hem probeerde in te zoomen. Maar hij sprong elke keer net op tijd opzij, zodat hij buiten het beeld van de camera kwam, was zijn redenering.

Ik heb wel eens geprobeerd hem uit te leggen dat ‘De Organisatie’ niet bestond, maar als ik niet oppaste was ik plotseling de spion en mocht ik vertrekken. Ook artsen en psychiaters waren niets meer dan spionnen, het enige wat die mensen zouden doen was hem vergiftigen. En toen was hij plotseling verdwenen, hij had een brief achtergelaten waarin stond dat de hele buurt hem door begon te krijgen, hij moest wel vertrekken. Een jaar nadat ik hem voor het laatst had gezien hoorde ik via-via van het tragische ongeval. Tijdens een van zijn wandelingen was hij voor een auto gesprongen, een uitwijkmanoeuvre om voor de zoveelste keer een camera te ontwijken. Hij was opslag dood. Weer een overwinning van De Organisatie.

Harry de pizzaverzamelaar

Harry was iemand met maar weinig interesse in wat dan ook. Hij was in zijn leven eigenlijk maar met één ding bezig: het verzamelen van pizza’s. Nee, niet de dozen die om de pizza’s heen zitten als je ze laat bezorgen. Nee, niet de warmhoudtassen waarin ze bezorgd worden. En nee, hij had geen enorme gekoelde ruimte in z’n appartement op de begane grond. Nee hij had daarvoor zijn woonkamer. Harry woonde tot zijn dertigste bij z’n ouders. Tijdens die eerste dertig jaar van zijn leven had hij eigenlijk nog geen duidelijk doel voor ogen, zijn pizzaverzameling bestond nog niet. In die tijd was hij eigenlijk vooral een nietsnut. Hij had werk bij een fabriek, maar hij was traag en wilde altijd als eerste weg.

Maar na dood van zijn moeder moest Harry wel uit huis gaan. Zijn vader had geen zin om nog langer in een huis waar een heel gezin in paste te wonen. Dat was het moment waarop Harry in een klein appartement kwam wonen. Hij had een klein driekamerappartement op de begane grond. De eerste paar maanden hield hij het nog vol om ‘s ochtends uit bed te komen en ging hij nog naar zijn werk. Maar het avondeten begon steeds meer van hetzelfde te worden. Pizza. In het begin haalde hij ze nog bij de supermarkt op de hoek, zoveel geld verdiende hij niet. Maar al snel veranderde dat. Zijn vader stierf namelijk een half jaar na zijn moeder, waarmee hij opeens een flink fortuin tot z’n beschikking had. Maar verhuizen deed hij niet. Hij bleef in zijn kleine appartementje zitten. Wat hij wel deed was zijn baan opzeggen. Wat hij ook deed was een goede telefoon kopen zodat hij zijn bestellingen goed kon doorgeven. De supermarkt zei hij vaarwel. De pizzabezorger had een nieuwe klant. Vanaf dat moment bestelde Harry alleen nog maar pizza. Hij bleef steeds langer in bed liggen. Sommige dagen lag hij bijna twintig uur in bed. Als hij eindelijk uit bed was gekomen pakte hij z’n telefoon en belde hij snel zijn bestelling voor vandaag door. Ondertussen natuurlijk op rekening, een service voor vaste klanten.

Terwijl Harry wachtte op de pizza ging hij meestal nog eventjes een dutje doen, waarna hij wakker werd gemaakt door de deurbel. Met elke dag meer moeite liep hij richting de deur, zijn omvang was immers al redelijk fors geworden. Hij bestelde altijd twee pizza’s. De eerste ging altijd volledig op, maar de tweede kwam maar tot de helft. In het begin bracht hij die halve pizza’s nog netjes naar de vuilnisbak, maar hij had al snel door dat dat ook een mooie verzameling kon vormen. Naast zijn favoriete zitstoel groeide dan ook al snel een stapel pizzadozen met daarin halve pizza’s.

Het leven van Harry bestond op het laatste uit slapen en pizza eten. Zijn buren hadden hem nog nooit gezien, de post had hij al zeker een paar maanden niet meer bekeken. Harry was iemand die stierf in het harnas. De pizzeria had al twee weken geen bestelling meer van hem gehad, en voor een klant die al tien jaar elke dag pizza bestelde was dat opvallend. Op zijn veertigste werd hij dood gevonden door de politie, die op aanraden van de pizzeria even een kijkje ging nemen. Er lag een open pizzadoos op zijn ronde buik. De officiele doodsoorzaak: dood door pizza.