Een man

Ergens achter het dorp, een flink stuk er vandaan, midden in het bos, dat is waar hij woont. Z’n hele leven heeft hij daar al gezeten. Het is zo’n plekje waarvan je al verwacht dat er maar 1 simpel zandweggetje naartoe is omdat het zo midden in dat bos zit. Elke donderdag, en geen enkele andere dag, kwam hij met een grote blauwe tas in z’n bakfiets naar het dorp, om de boodschappen te doen. In de supermarkt liep hij elke keer hetzelfde rondje, gewoon hetzelfde als vorige week. Dat deed hij elke donderdag, elke donderdag, nog nooit was hij er niet geweest op donderdag. Een ding viel echter wel op, want ondanks de oude afgerafelde kleding die hij altijd droeg, en ondanks de oude verroeste bakfiets, ondanks dat alles was hij elke keer toch glad geschoren. Nooit, maar dan ook echt nooit, was er ook maar een haartje te vinden van een gemist stukje. Een stoppelbaard was bij hem waarschijnlijk al helemaal uit den boze. Iedereen vroeg zich altijd af waarom zo’n relatief jonge kerel toch in van die afgerafelde kleren rondreed op zijn fiets, elke keer 10 km heen en 10 km terug, dat alleen voor de boodschappen. Maar men kon toch ook niet weten wat die man toch allemaal deed. Niemand wist namelijk dat die blokhut die daar vele jaren geleden in dat bos stond al lang niet meer te vinden was. Nee die blokhut was vervangen door een moderne luxe villa met alles erop en eraan wat een mens maar wensen kan. Ook was er aan de andere kant van de villa, in precies de tegengestelde richting, een geasfalteerde toegangsweg. Die weg kwam vrijwel direct uit bij de grote stad. Dat is ook waar zijn vrouw en kinderen altijd heen gingen. Maar ook hij zelf gebruikte die weg elke werkdag wanneer hij naar z’n werk als adviseur ging in zijn diepzwarte zakenauto. Behalve dan op donderdag, want donderdag was zijn vrije dag. Donderdag moest hij boodschappen doen.