Kerstboom

Ik kan het me nog goed herinneren, als de dag van gisteren. Maar het is ondertussen toch al zeker acht jaar geleden. Eigenlijk was het gewoon perfect die dag, ik kan geen ander woord verzinnen. Daarachter, daar stond hij ergens. Vanuit het huis kon je hem het hele jaar door net niet zien. Maar nu was het dan eindelijk tijd om hem in het zonnetje te zetten, of, eigenlijk, in het licht van lampjes, vijftig lampjes om precies te zijn. Ik kan me de dag nog goed voor de geest halen. Het was een zondag, net iets in de avond en het was net een half uurtje donker. We hadden het eten net op. De schop die stond al klaar sinds de vorige dag, maar het was er nog niet van gekomen vanwege de sneeuw die de afgelopen dag flink aan het vallen was geweest. Maar nu dwarrelde de sneeuw nog maar rustig naar beneden, dus mijn vader had dan ook besloten om maar eens actie te ondernemen, het grote moment was dan eindelijk aangebroken. De eerste voetstappen in de sneeuw werden gezet door mijn vader zijn laarzen. Langzaam maar zeker ontstond er een spoor van voetstappen richting de achterkant van de tuin. Want daar stond hij, net iets om de hoek van de schuur. De sneeuw drukte de takjes iets naar beneden, de laag was ondertussen aardig dik geworden. Af en toe vergezelde een extra vlok de al liggende sneeuw. Maar het zicht van de ondergesneeuwde boom verdween snel toen mijn vader de boom ergens boven het midden vastpakte en kort een paar keer heen en weer schudde. De meeste sneeuw gleed op dat moment van de takken af. Mijn vader kreeg op dat moment een tevreden blik in zijn gezicht. En terecht, het was een prachtexemplaar. Perfect aan alle kanten. Niet te lang, niet te kort. Niet te dik en ook niet te dun. Geen vreemde kronkels in de stam en de takken, die hingen precies op de goede plekken. M’n vader zette zijn schop voor de eerste keer in de grond. Na een paar minuten was er een gat ontstaan op de plek waar eerst iets stond. Mijn vader pakte de boom aan de onderkant vast. Op naar binnen.

Een man

Ergens achter het dorp, een flink stuk er vandaan, midden in het bos, dat is waar hij woont. Z’n hele leven heeft hij daar al gezeten. Het is zo’n plekje waarvan je al verwacht dat er maar 1 simpel zandweggetje naartoe is omdat het zo midden in dat bos zit. Elke donderdag, en geen enkele andere dag, kwam hij met een grote blauwe tas in z’n bakfiets naar het dorp, om de boodschappen te doen. In de supermarkt liep hij elke keer hetzelfde rondje, gewoon hetzelfde als vorige week. Dat deed hij elke donderdag, elke donderdag, nog nooit was hij er niet geweest op donderdag. Een ding viel echter wel op, want ondanks de oude afgerafelde kleding die hij altijd droeg, en ondanks de oude verroeste bakfiets, ondanks dat alles was hij elke keer toch glad geschoren. Nooit, maar dan ook echt nooit, was er ook maar een haartje te vinden van een gemist stukje. Een stoppelbaard was bij hem waarschijnlijk al helemaal uit den boze. Iedereen vroeg zich altijd af waarom zo’n relatief jonge kerel toch in van die afgerafelde kleren rondreed op zijn fiets, elke keer 10 km heen en 10 km terug, dat alleen voor de boodschappen. Maar men kon toch ook niet weten wat die man toch allemaal deed. Niemand wist namelijk dat die blokhut die daar vele jaren geleden in dat bos stond al lang niet meer te vinden was. Nee die blokhut was vervangen door een moderne luxe villa met alles erop en eraan wat een mens maar wensen kan. Ook was er aan de andere kant van de villa, in precies de tegengestelde richting, een geasfalteerde toegangsweg. Die weg kwam vrijwel direct uit bij de grote stad. Dat is ook waar zijn vrouw en kinderen altijd heen gingen. Maar ook hij zelf gebruikte die weg elke werkdag wanneer hij naar z’n werk als adviseur ging in zijn diepzwarte zakenauto. Behalve dan op donderdag, want donderdag was zijn vrije dag. Donderdag moest hij boodschappen doen.